Deel 2


Index:
Deel II.

9: September 1995, Niet in mijn voortuin!
10: December 1995, Apres nous le deluge?
11: Juni 1996, Wie heeft er wat te klagen?
12: Juni 1997, Drainagesysteem moet honderd jaar megaan
13: December 1997, Restvlekken of grond verwijderen?
14: September 1998, Het beleid is veranderd, maar Kralingen niet
15: December 1999, Afscheid van Kralingen

Deel I.

 

9

september 1995:
NIET IN MIJN VOORTUIN!

Niet voor alle bewoners in Kralingen heeft de sanering van het voormalige gasfabrieksterrein dezelfde betekenis. 
De groep mensen die in het saneringsgebied woont en direct betrokken is bij de sanering, ziet de soesa van de uitvoering als noodzakelijk om uiteindelijk op een schone bodem te kunnen wonen. Deze bewoners hebben zich georganiseerd in de Bewonerswerkgroep.
Voor omwonenden ligt dat anders. Naar hun idee hebben ze niets te maken met de bodemverontreiniging, maar nu zagen ze zich plotseling wel geconfronteerd met een werkterrein voor de deur. Ze vreesden een aantasting van het uitzicht, en stank veroorzaakt door af- en aanrijdende wagens. Daarom hebben ze deze zomer tegen de voorgestelde inrichting van het Gashouderpark als tijdelijk opslagterrein voor partijen lichtverontreinigde grond uitgebreid actie gevoerd.

 

Niet in mijn voortuin

 

Tijdelijke opslag

Het opvullen van diepe gaten met lichtverontreinigde grond die vrijkomt bij de sanering, is één van de basisideeën van de gekozen saneringsvariant. Daardoor konden de kosten tot de helft worden teruggebracht vergeleken met de multifunctionele aanpak.
Opslag van hergebruiksgrond in de buurt heeft ook tot voordeel dat er minder vrachtwagenbewegingen voor aan- en afvoer nodig zijn.
Aan de rand van het voormalige gasfabrieksterrein zou een plantsoen tijdelijk worden ingericht als werk- en opslagterrein. Vrijkomende grond zou daar worden gewogen, en via een zeefinstallatie van puin worden ontdaan. De her te gebruiken grond moest dan naar milieu- en naar civieltechnische kwaliteit in partijen worden ingedeeld en opgeslagen. Het dichtstbijgelegen terrein dat groot genoeg is voor al deze grondbewerkingen, is het Gashouderpark, een plantsoen dat gelegen is naast en op twee van de voormalige gashouders.

Overlast

De Bewonerswerkgroep is nauw betrokken geweest bij de plannen voor inrichting van het werkterrein. Veel aandacht is daarbij besteed aan het creëren van alternatieve speelgelegenheden, zodat kinderen niet in de verleiding zouden komen op het werkterrein te spelen. Stofoverlast naar de omgeving kon naar mijn idee een probleem zijn, en daarom heb ik de Bewonerswerkgroep aangeraden te bekijken hoe het terrein zo goed mogelijk afgeschermd kon worden. De bedoeling was om er een haag met bomen en struiken te planten. 
De geluidsbelasting was naar mijn idee aan de hoge kant, zeker voor een terrein dat minimaal vier jaar als zodanig in gebruik zou zijn. Door een betere isolatie van de zeefinstallatie kon het geluidsniveau omlaag gebracht worden. 
Toen de omwonenden mij belden met vragen over het voorgenomen werkterrein, heb ik hen ook aangeraden te pleiten voor een betere isolatie van de zeefinstallatie. 

Protest

Pas in een late fase, nl. bij de definitieve afgifte van de benodigde vergunningen, hebben verschillende omwonenden geprotesteerd tegen het gebruik van het park als werkterrein. Niet alleen tegen de vergunning voor de inrichting van het park werd bezwaar gemaakt, ook werd ingehaakt op een tegelijkertijd lopende procedure voor de onttrekking van grondwater. Deze vergunning is nodig om in staat te zijn het grondwater te saneren, en is een essentiële voorwaarde om met de uitvoering te kunnen doorgaan. 
Niet duidelijk is in hoeverre de omwonenden een reëel bezwaar hadden tegen de grondwatersanering, al zeiden ze deze niet nodig te vinden, en hun drinkwater wel aan de kraan te willen zuiveren. In ieder geval spraken ze de bedoeling uit de sanering te willen vertragen, wanneer de plannen voor het werkterrein doorgingen. 

Alternatieven

Bij Gemeentewerken stond voorop dat het zeer belangrijk was dat de uitvoering van de sanering zonder vertraging doorgang kon vinden. Daarom is gezocht naar alternatieven voor de inrichting van het park. Er is nu een andere weg gevonden voor de hergebruiksgrond; in overleg met de Grondbank Rotterdam zal grond van Kralingen opgekocht worden, en kan hergebruiksgrond van andere saneringslokaties te zijner tijd aangekocht worden. Op het gasfabrieksterrein is dan alleen nog opslag van kleine, direct te hergebruiken, partijen grond nodig. Wel zullen buurtbewoners nu met meer vrachtwagenbewegingen geconfronteerd worden met de daarmee gepaard gaande overlast aan lawaai, stank en uitstoot van uitlaatgassen. 
Controle op de van elders aan te voeren hergebruiksgrond is een belangrijk aandachtspunt. De Bewonerswerkgroep wil zeker weten, dat de aan te voeren grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de gasfabrieksgrond die anders in de diepe gaten zou zijn gestort. Voor de hergebruiksgrond geldt B+ als maximale concentratie. Ik heb de Bewonerswerkgroep geadviseerd erop te letten dat de B+-kwaliteit zo gedefinieerd wordt dat er alleen voor gasfabrieksparameters en zware metalen de B-waarde genomen wordt (2xB voor benzpyreen, en C voor lood), maar dat voor stoffen die niet voorkomen op het terrein (zoals gechloreerde koolwaterstoffen en bestrijdingsmiddelen) de A-waarde moet gelden. Dat lijkt ook voor Gemeentewerken acceptabel.

 

10

december 1995:
APRES NOUS LE DELUGE?

Wanneer bij een bodemsanering niet alle verontreiniging verwijderd wordt, is er een nazorgsysteem nodig. Dat zal ook voor het gasfabrieksterrein in Kralingen het geval zijn. 
Na de afronding van de grondsanering - in 1999 - zal er een sanering van het grondwater uitgevoerd worden. Op diverse plekken van het voormalige gasfabrieksterrein is het grondwater tot 30 meter diep, tot in de pleistocene zandlaag, verontreinigd geraakt met stoffen van de gasfabriek - voornamelijk aromaten en cyanides. 
Om het ondiepe en diepe grondwater schoon te spoelen, zal er een drainagesysteem worden aangelegd. Volgens uitgevoerde berekeningen zal dit systeem honderd jaar moeten functioneren alvorens voor het diepe grondwater de B-waarde en voor het ondiepe grondwater de C-waarde is bereikt. De kosten hiervan werden in 1993 op 18 miljoen gulden (gekapitaliseerd) geschat.

Restverontreinigingen

Nu is een nazorgsysteem niet alleen voor de grondwatersanering nodig. Daarnaast zal er ook hier en daar verontreinigde grond achterblijven. 
Op plekken waar het grondwater niet verontreinigd is, was het volgens het Ministerie van VROM niet nodig de verontreinigde grond weg te halen. Ook relatief kleine vlekken, zeker waar die onder de bebouwing zitten, worden uit het oogpunt van kostenbesparing, niet altijd nu gesaneerd. 
Dit betreft de van tevoren verwachte en voorziene restverontreinigen. Daarnaast worden er tijdens de uitvoering van de sanering soms nieuwe verontreinigingen gevonden, of lopen sommige verontreinigingsvlekken dieper of verder door dan verwacht. Uiteraard wordt er dan verder gegraven wanneer dat zonder extra voorzieningen mogelijk is, maar dat lukt niet altijd. Wanneer bv. de verontreiniging doorloopt onder een gebouw zijn daarvoor extra constructieve voorzieningen nodig, die een veelvoud bedragen van de kosten van het reinigen van de grond. Bij de in het afgelopen half jaar uitgevoerde deelsanering in Kralingen zijn in twee gevallen restvlekken onder woningen achtergebleven. In het ene geval betrof het een teervlek die verder doorliep dan verwacht; in het andere geval moest de sanering voortijdig gestaakt worden doordat de funderingen niet voldoende stabiliteit hielden. Gezien het geringe risico en de hoge kosten lag de beslissing voor de gemeente duidelijk. Er is besloten niet verder te graven, en de verontreinigingsvlekken te beheren. Wel wil de gemeente de verontreinigingen weghalen wanneer de woningen worden afgebroken. De situatie voor de bewoners van de betreffende panden is hiermee echter niet opgelost. Zij zijn hun huis uitgegaan, en hebben alle soesah van de sanering meegemaakt, maar komen terug in een huis dat nog steeds op verontreinigde grond staat. Onduidelijk is ook wat daarvan de financiële en juridische gevolgen zijn, zoals vermindering van de marktwaarde van het huis.
Een garantie dat de verontreiniging later wordt weggehaald, kan de gemeente niet geven, omdat de nazorg nog niet goed geregeld is. De levensduur van de woningen is waarschijnlijk niet meer dan 25 jaar. Maar over 25 jaar bestaat de projectorganisatie niet meer en tot nu toe zijn er geen reserveringen gemaakt voor de later alsnog te maken kosten.

Nazorg

Dat geldt ook voor het beheer en de financiering van de grondwatersanering. Er is wel geld voor de aanleg van het systeem; dit zal ca. 8.5 miljoen gulden kosten. In 1999 wanneer de grondsanering is afgerond, stelt het ministerie van VROM nog drie jaar geld beschikbaar voor de in werking stelling van het grondwatersysteem, een bedrag van 2.5 miljoen gulden. Maar dan?

Het was dus van tevoren te overzien dat er aandacht nodig was voor de nazorg, zowel wat betreft het beheer van het drainagesysteem als voor de monitoring van de restvlekken.
Om te kunnen beoordelen of het drainagesysteem goed zal functioneren heb ik voor de Bewonerswerkgroep een checklist opgesteld met aandachtspunten waarop gelet moet worden in de verschillende fasen in de grondwatersanering. 
Een goede voorbereiding is de eerste stap. Bekend moet zijn of en zo ja welke andere bronnen in de omgeving aanwezig zijn die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Ook voldoende kennis van de bodemopbouw is nodig, want anders bestaat de kans dat er langs de verontreinigingsvlekken gespoeld wordt. 
Bij het ontwerp van een drainagesysteem zou aandacht besteed moeten worden aan de robuustheid van het systeem, aangezien het in een bewoonde omgeving ligt, waar regelmatig grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden en waar rekening gehouden moet worden met aantasting door vandalisme. 
Ervaringen met eerdere afdichtingssytemen hebben getoond dat vooral de aanlegfase een zwak punt vormt. Bij metingen naderhand blijken drainagebuizen niet meer te vinden te zijn, of verkeerd te zijn aangesloten. Controle op de kwaliteit van de uitvoering is daarom essentieel.
Daarna zal het systeem nog jaren moeten functioneren, zullen er zonodig pompen vervangen moeten worden, en moeten er besluiten genomen worden over vervanging en/of stopzetting. Daarvoor zijn geld en een organisatie nodig.

Proef

De gemeente heeft ondertussen een inventarisatie uitgevoerd naar mogelijk in de omgeving aanwezige bronnen van grondwaterverontreiniging. Bovendien gaat er nu een proef van start, waarbij een drietal systemen van bovenafdichting onderling vergeleken worden - bentoniet, trisoplast, en een combinatie van bentoniet en trisoplast. Hierop zullen verschillende metingen uitgevoerd worden op zaken als doorlaatbaarheid, aantasting door heien ed. Bij de definitieve keuze zal zeker ook de verwachte levensduur van het systeem een belangrijke factor zijn, aangezien het een honderd jaar moet functioneren. 

Over het beheer na 1999 is echter nog steeds niets geregeld. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt in eerste instantie bij de gemeente. Eigenlijk had de nazorg een onderdeel horen te zijn van het Saneringsplan. 
Het is van belang om snel duidelijkheid te geven over de organisatie van de nazorg, want daardoor kunnen aan de bewoners ook garanties gegeven worden bij het laten zitten van bv. restverontreinigingen onder woningen.

 

Restverontreinigingen onder woningen

 

 

11

juni 1996:
WIE HEEFT ER WAT TE KLAGEN? 

In een gebied waar gewerkt wordt, vallen spaanders. Niemand zal verwacht hebben dat de sanering in Kralingen uitgevoerd kon worden zonder dat bewoners daarvan last zouden hebben. Maar wat van sommigen een onnadenkendheid is, levert voor anderen onnodige hinder op. Wil de sanering ook maatschappelijk uitvoerbaar blijven, dan is daarvoor een goede en efficiënte klachtenafhandeling van groot belang.
Spil in de behandeling van klachten zijn Anna van Bebberen en haar collega's op het Projectbureau. Met haar en met Gottlieb Ornstein van de Bewonerswerkgroep is gesproken over het soort klachten, de reactie daarop en de afhandeling daarvan.

Zonder stroom

Vanaf april 1994, de start van de sanering, zijn nu meer dan tweehonderd klachten binnengekomen. Anna herinnert zich nog goed de eerste klacht. "Sunny, het zonnecentrum, hing aan de lijn om te melden dat ze zonder stroom zaten. Dat was toch wat lastig voor de klanten die in de zonnebanken lagen. Ergens bleek een leiding afgesneden. Gelukkig kon dat dezelfde dag nog verholpen worden."

De klachten die binnenkomen zijn heel divers. Soms blijken bewoners voortijdig of zonder bericht afgesneden te zijn van nutsleidingen. In andere gevallen wordt geklaagd over stankoverlast, bv. van de zuivering. Dit is nu grotendeels verholpen doordat de zuivering in een afgesloten ruimte is geplaatst en voorzien is van een luchtfilter.
Bij werkeenheid 1, waar in totaal 125 klachten zijn geregistreerd, was lawaai de grote boosdoener. Het ging daarbij niet alleen om het heien van de damwanden, en de geluidsoverlast van de sloopwerkzaamheden, maar ook om het draaien van grondwaterpompen die wel erg dicht tegen de gevels stonden, en om het geschetter van harde muziek uit de radio's van de werklui.
Bij werkeenheid 4/5a zijn tot nu toe 102 klachten binnengekomen. Hier zorgt vooral het transport en de afvoer van verontreinigde grond voor veel klachten. Het was eerst niet duidelijk welke routes de vrachtwagens moesten volgen. Een tijdlang reden daardoor veel auto's door een woonstraat die daarop eigenlijk niet berekend was. "Uitleggen dat er geen alternatief was, wilde niet altijd helpen", vertelt Anna.
De Bewonerswerkgroep noemt de problemen met het niet schoonmaken van de vrachtwagens. Gottlieb:"De vrachtwagens worden volgeladen met verontreinigde grond, en rijden dan met open klep en zonder afgespoten te zijn het terrein af en de stad door. De Bewonerswerkgroep heeft hierover al verschillende keren contact gehad met het Projectbureau en deze zaak ook aan de orde gesteld op het Uitvoeringsoverleg. Er komt nu een vaste wasplaats voor de vrachtwagens bij de uitgang van het werkterrein."
De Bewonerswerkgroep heeft ook verschillende keren haar verbolgenheid getoond over het vòòr zeven uur starten van de motoren van wagens en kranen, terwijl in het Veiligheids- en beschermingsplan zeven uur was aangehouden als start van de werkzaamheden. Hierover zijn nu betere afspraken gemaakt in de nieuwe versie van het Veiligheids- en beschermingsplan.

Vernielingen

Behalve via de Bewonerswerkgroep komen er ook klachten binnen via het Schaap. Medewerkers van het Schaap patrouilleren regelmatig in de buurt en melden zaken als achtergelaten troep, vernielde verkeersborden en afgebrokkelde tegels.
Sommige mensen bellen met klachten over hun gezondheid, vertellen dat ze last hebben van hoofdpijn of misselijkheid. Soms betekent dat dat ze graag met een medische indicatie naar een andere woning willen verhuizen. Anna stuurt deze klachten altijd door naar de GGD. 
Fred Woudenberg van de GGD bevestigt dat er eigenlijk weinig klachten over de gezondheid binnenkomen. Wel zijn er mensen die willen verhuizen omdat ze niet tegen de extra belasting van de werkzaamheden opgewassen zijn, bv. doordat ze cara of hartklachten hebben. Deze gevallen worden in de herhuisvestingscommissie besproken. Fred schat dat de afgelopen jaren circa vijf mensen met een medische indicatie uit het gebied vertrokken zijn.

Het niet goed afstemmen van de onderlinge werkzaamheden kan vervelende telefoontjes opleveren. Anna: "De mensen begrijpen niet, waarom de ene dag de straat openligt voor kabelwerkzaamheden, en dan weer dichtgemaakt wordt, terwijl de volgende dag opnieuw werkzaamheden uitgevoerd worden."

 

Restverontreinigingen onder woningen

 

Zeuren

De klachten komen op het Projectbureau binnen bij Anna of bij één van haar collega's die achter de telefoon zit. De klager wordt rustig te woord gestaan, en getracht wordt zo snel mogelijk de klacht op te lossen door contact te leggen met de directievoerder of met medewerkers van Gemeentewerken. Vaak lukt het nog dezelfde dag de klacht af te handelen. Tegen de klagers wordt altijd gezegd dat ze rustig opnieuw kunnen bellen wanneer ze niet tevreden zijn over de afhandeling.
Al denken sommige ambtenaren weleens dat er nu eenmaal altijd mensen zijn die zeuren, Anna heeft een andere houding. Zij gaat ervan uit dat mensen die klagen, een probleem hebben, en dat probleem moet opgelost worden. "Soms zijn mensen weleens kwaad, maar dan is het belangrijk dat hen een luisterend oor geboden wordt. Ze zijn blij dat er aan hun probleem aandacht besteed wordt."
In het algemeen is de Bewonerswerkgroep tevreden over de wijze waarop de klachten bij het Projectbureau afgehandeld worden. De samenwerking verloopt soepel. Wel vindt de BWG het vervelend wanneer gemaakte afspraken niet nagekomen worden. Gottlieb:" We hebben nu wel geleerd dat het belangrijk is eenduidige afspraken te maken en deze vast te leggen in het Veiligheids- en Beschermingsplan en in het Bestek."

Dat een aantal zaken nu beter geregeld is, is aan de frequentie van de klachten niet af te leiden, die blijft ongeveer gelijk. Zouden mensen dan toch altijd wat te klagen houden?

 

12

juni 1997:
DRAINAGESYSTEEM MOET HONDERD JAAR MEEGAAN

Het jaar 2000 is ook voor de bodemsanering van het voormalige gasfabrieksterrein in Kralingen een belangrijk omslagpunt. Tegen die tijd zal de sanering van de grond zijn afgerond, en volgt er een periode van nazorg waarin ook de grondwatersanering moet worden uitgevoerd.
De nazorg is een belangrijk aandachtspunt voor de Bewoners-werkgroep. Naast de registratie en latere sanering van onder bebouwing achtergebleven restverontreinigingen in de grond zal het grondwater schoongespoeld moeten worden, en hiervoor wordt een drainagesysteem aangelegd. Volgens de berekeningen zal dit een honderd jaar moeten functioneren om de verontreinigingen in het grondwater terug te brengen tot de C-waarde voor het holocene water en de B-waarde voor het pleistoceen.

Pleistoceen

Dat de verontreinigingen van de gasfabriek waren doorgedrongen tot het diepe (pleistocene) grondwater was toendertijd een belangrijke reden om tot sanering over te gaan. Op de plekken
waar vroeger de gashouders diep ingegraven hadden gezeten, is het diepe grondwater verontreinigd geraakt. Doordat er tijdens de opslag van het gas gaswater tegen de wand condenseerde, en doorsijpelde naar de diepte, vindt men nu aromaten in het pleistocene grondwater. Het is technisch heel lastig om ze daar weer uit te krijgen. Daarom wordt er nu een dubbel systeem aangelegd met een pompinstallatie die op enkele honderden meters stroomafwaarts staat om het al weggestroomde verontreinigde grondwater in het pleistoceen op te vangen, en met een bemalingsinstallatie op het gasfabrieksterrein zelf, die ervoor moet zorgen dat zowel het diepe als het ondiepe grondwater in het holoceen naar boven getrokken worden. De aan te brengen pompen zullen de komende honderd jaar onderhouden en zonodig vervangen moeten worden. Vanuit bewonerszijde is het voorstel gedaan om voor de pompen een doorzichtig gebouw te plaatsen zodat iedereen die er langs loopt kan zien wat er op het gasfabrieksterrein gebeurt. Het opgepompte water wordt, alvorens het te lozen op het riool, eerst gezuiverd.
Het is belangrijk dat het op te pompen verontreinigd grondwater niet verdund raakt met schoon (regen)water. Door een vermeninging met regenwater zal er veel meer water opgepompt en gezuiverd moeten worden, waardoor de kosten een veelvoud oplopen. Daarom zal er een afsluitende laag aangebracht worden op ca. 3 meter onder maaiveld. Daarboven komt (vrijwel) schone grond en kan ook het regenwater blijven staan, zodat er voldoende vocht aanwezig is voor plantengroei.

 

Drainagesysteem

 

Drainagesysteem

Op delen van het terrein waar het drainagesysteem nu wordt aangelegd, zal in de toekomst ook weer bebouwing verrijzen. Met het ontwerpen daarvan moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van een drainagesysteem, maar heien moet wel mogelijk zijn. De afdichtende laag moet dus zodanig zijn, dat hij zich weer voegt nadat er palen doorheen geslagen zijn.
De laag zal ook tegen een stootje moeten kunnen omdat er toch regelmatig bouwwerkzaamheden plaatsvinden.

Er wordt nu een proef uitgevoerd met een drietal systemen; de afdichtende laag bestaat uit:

·         25 cm zandbentoniet met daarop 8 cm trisoplast; dit is een zandbentoniet mengsel gecombineerd met een polymeer die na uitharding een zekere flexibiliteit behoudt;

·         25 cm zandbentoniet met daarop geprefabriceerde bento-nietpanelen van ca. 1 cm dik;

·         50 cm zandbentoniet, aangebracht in twee lagen van 25 cm. 

Het mengsel van zand en bentoniet (een bepaald soort klei) is een beproefd systeem. Met trisoplast is ondertussen enkele jaren ervaring opgedaan bij stortplaatsen. De combinatie van zandbentoniet met een polymeer levert een flexibel systeem, dat toch voldoende afdicht. Hierdoor hoeft minder dik bentoniet aangebracht te worden, hetgeen een besparing is op grondstoffen. Wel kan trisoplast onder invloed van zonlicht en/of bacteriën in de bodem mogelijk aangetast worden.
De verschillende systemen zijn ongeveer even duur.

Proeven

De komende maanden zullen er proeven worden uitgevoerd om na te gaan hoe stevig de verschillende materialen zijn.
Bekeken zal worden hoe groot de doordringbaarheid is van de laag, en in hoeverre de laag stabiel blijft. Daarvoor zullen er ook heipa-len door de laag geslagen worden. Na enkele maan-den zullen stukken van de afdichtingslaag weer opgegraven worden om te zien of hij zich goed gevoegd heeft rond de palen en of hij niet is aangetast door verontreinigd grondwater of anderzins. Daarna moeten de resultaten van de proeven beoordeeld worden om tot een uiteindelijke keuze te komen. 

Waardering

Vanuit Gemeentewerken is een voorstel gedaan voor een besluitvormingsmodel. Daarin geven alle betrokkenen hun eigen waardering voor de kenmerken/eigenschappen van de verschillende geteste afdichtingsmaterialen en de hieronder liggende drainagesystemen. Bewoners zullen wellicht een andere prioriteitsvolgorde aanleggen dan de mensen van Gemeentewerken.
Voor de Bewonerswerkgroep heb ik aangegeven welke kenmerken naar mijn idee vanuit bewonersbelang relevant kunnen zijn.
Het gaat daarbij om:

·         eigen herstelcapaciteit
Het is belangrijk dat de afdichtende laag zich weer voegt, nadat er bv. een heipaal doorheen geslagen is.

·         controlemogelijkheden
Om een langdurig functioneren van de drainagelaag moge-lijk te maken, zal er regelmatig gecontroleerd moeten kunnen worden of het drainagesysteem nog naar behoren werkt.

·         ondoorlatendheid
Naarmate de drainagelaag beter afsluit, ontstaat er minder verdunning van het verontreinigd grondwater en verloopt de grondwatersanering effectiever.

·         kwetsbaarheid
Bij bouwwerkzaamheden zal de afdichtende laag belast worden. Ook chemicaliën kunnen de laag aantasten. 
Ontstane scheuren verminderen de afdichtcapaciteit.

·         aard materiaal
Aangezien de sanering erop gericht is zoveel mogelijk een schone en natuurlijke bodemkwaliteit te bereiken, zou ook wat betreft de afdichtlaag de aard van het te gebruiken materiaal een afwegingsfactor kunnen zijn. Een produkt, zoals trisoplast bevat een polymeer, een chemisch gefabriceerd materiaal, terwijl bentoniet van nature voorkomt.

Na een eerste inventarisatie van relevante beoordelingskenmerken zal er in de projectorganisatie een discussie plaatsvinden om tot de uiteindelijke beslissing te komen. Uiterlijk nog dit jaar moet het afdichtingsmateriaal bekend zijn omdat het dan definitief moet worden aangelegd op het gasfabrieksterrein.

 

13

december 1997:
RESTVLEKKEN OF GROND VERWIJDEREN ?

Uitgangspunt voor de sanering van het voormalige gasfabrieksterrein in Kralingen is de B+-variant, of - in de woorden van de gemeente - de omgevingsvariant. Grond die verontreinigd is boven de B-waarde wordt verwijderd, grond tussen de A- en B-waarde wordt op het terrein hergebruikt, terwijl de bovenste meter uit schone grond (< A-waarde) zal bestaan.
De gemeente noemt deze variant de omgevingsvariant, ervan uitgaande dat de grond in de omgeving van het terrein al door de diffuse verontreiniging in stedelijk gebied tot de B-waarde vervuild zal zijn. 

Beeld sanering

Nu de uitvoering van de sanering ongeveer halverwege is, bestaat bij verschillende bewoners de indruk dat de B+-kwaliteit van de sanering steeds meer onder druk komt te staan, doordat er elke keer sprake is van achterblijvende restvlekken. Het gaat daarbij om verontreinigingsplekken waarvan de concentratie aan vervuilende stoffen boven de B-waarde ligt, maar die nu niet verwijderd worden vanwege bebouwing of diepte.
De gemeente heeft een ander beeld van de sanering. Zij wijst erop dat er zeker zoveel verontreinigde grond is weggehaald als oorspronkelijk gepland op basis van het nader onderzoek. Bovendien vindt er minder hergebruik van lichtverontreinigde grond plaats, en wordt er dus meer en schonere grond als aanvulling gebruikt. Dat komt ondermeer doordat er soms in grotere partijen wordt afgegraven vanwege de tijdsdruk, en ook doordat er veel puin, hout en ijzer in de grond aanwezig bleek te zijn.
Dat betekent dat er meer grond wordt afgevoerd, zowel naar de stort als naar de reiniger. Ook grond waarvan oorspronkelijk verwacht was dat deze niet gereinigd kon worden, zoals partijen koolas, zijn tegenwoordig wel thermisch reinigbaar. En volgens de wettelijke voorschriften van het ministerie van VROM moet zo'n partij dan ook gereinigd worden. 

Uit het oogpunt van milieurendement zou je deze grondstromen kunnen bekijken in het licht van de zogeheten ladder van Lansink. Lansink heeft ooit een rangorde opgesteld van het omgaan met afvalstoffen: eerst naar hergebruik kijken, dan naar reinigen, en als laatste komt storten aan de orde. In dat licht is het jammer dat er minder grond hergebruikt wordt, maar is het positief dat er meer grond gereinigd kan worden. Alleen nemen hierdoor ook de kosten van de sanering toe, en dat is een zorg voor de gemeente.

Discussie

De verschillen in benadering zijn moeilijk te overbruggen, wel betekent het dat er uitgebreid gediscussieerd wordt tussen Gemeentewerken en Bewonerswerkgroep over alle achterblijvende restvlekken. Sommige plekken zijn van te-voren te voor-zien, andere doen zich voor tijdens de uitvoering. 
Meestal gaat het om relatief kleine plekken (< 100 m3 ) met bv. koolas dat zich onder een woning bevindt. Verwijdering betekent dat er ingewikkelde steunconstructies nodig zijn om onder de bebouwing te kunnen graven, en dat graven niet zonder risico is.
In een ander geval gaat het om diepgelegen verontreinigingen die technisch lastig te verwijderen zijn. Onder een nieuwbouwpand bevond zich op een diepte van meer dan zeven meter een verontreiniging met aromaten. Deze zou alleen verwijderd kunnen worden als het pand zou worden afgebroken. Dat leek ook mij geen goede aanpak, zodat nu besloten is een extra drainagesysteem aan te leggen waardoor de verontreiniging zich niet verder naar de diepte kan verspreiden. Mogelijk zal in de loop der jaren hierdoor ook de grond schoongespoeld worden.

Waardevermindering

De ondiep gelegen achterblijvende restvlekken onder bebouwing worden geregistreerd. In de beschikking die de gemeente afgeeft na afloop van de sanering staat aangegeven dat zich hier een restvlek bevindt die te zijner tijd - na afbraak van het pand - gesaneerd moet worden. Garanties daarop kan de gemeente echter niet geven, evenmin is duidelijk wie dan voor de uiteindelijke kosten zal opdraaien. 
De gemeente verwacht echter niet dat het nu achterlaten van restvlekken tot waardevermindering van de betreffende woning zal leiden. 
Dat maakt de discussie over het achterlaten van deze restvlekken lastig. Want al zien bewoners in dat het eenvoudiger is en minder geld kost om deze plekken te saneren wanneer de woningen gesloopt worden, het is maar de vraag of dat dan nog zal gebeuren. Dan zou het uiteindelijke resultaat van de bodemsanering meer een vlekkenkaart dan een omgevingsvariant zijn geworden. 
Om toch zoveel vast te houden aan de uitgangspunten van de sanering, zouden naar mijn idee dergelijke nu achtergelaten verontreinigingen in het Saneringsplan beschreven moeten worden als een verwijdering op termijn in de vorm van een gefaseerd uitgevoerde sanering.

Gaat het in deze gevallen nog om betrekkelijk kleine vlekken met meest-al immobiele stoffen, duidelijk anders ligt het met een grote (1200 m3) vlek onder een woongebouw uit de dertiger jaren. Onder dit woongebouw liep de vroegere riolering van de gasfabriek, en hier is een zeer ernstige verontreiniging met cyanide en teerprodukten aangetroffen. Ook in het grondwater worden deze stoffen gevonden. 

 

grondwater

 

Schade

Graven onder het pand is lastig, omdat de bouwkundige kwaliteit matig is en het op houten palen staat. Na eerdere ervaringen met graven onder panden met houten palen, is Gemeentewerken zeer voorzichtig geworden. Bij de betreffende panden ontstond erg veel onvoorziene schade. Mede daarom ziet Gemeentewerken nu af van graven onder dit pand. Sloop van het pand op dit moment wordt afgewezen, omdat daarvan dan de kosten alleen voor rekening van de bodemsanering zouden komen. Al is het pand gezien zijn ouderdom afgeschreven, in geval van sloop voor de bodemsanering moeten wel de woningen tegen marktwaarde aangekocht worden. Daardoor doet zich de paradoxale situatie voor dat er nu extra kosten van bijna een miljoen gulden gemaakt worden voor het aanbrengen van isolatievoorzieningen, terwijl duidelijk is dat het pand eens gesloopt zal worden, waarbij alsnog de verontreinigde grond moet worden verwijderd.

Valt de sanering in Kralingen nu beter of slechter uit? Wellicht beter, als je in ogenschouw neemt dat er minder lichtverontreinigde grond hergebruikt wordt, en er dus meer met schone grond aangevuld wordt; wellicht slechter als je bedenkt dat er restplekken met zwaardere verontreiniging achtergelaten worden. In ieder geval is wel duidelijk dat door het toenemende aantal restvlekken en de daarvoor noodzakelijke monitoring, de aandacht voor de nazorg toeneemt. Maar daarvan zijn de organisatie en de financiering nog niet rond.

 

14

september 1998:
HET BELEID IS VERANDERD, MAAR KRALINGEN NIET

De bodemverontreiniging in Kralingen wordt gesaneerd volgens de B+-variant. Moest ik vroeger aan belangstellende buitenstaanders altijd de + verklaren, tegenwoordig moet ik ook aangeven wat de B betekent.

ABC-waarden

In de tijd dat het onderzoek naar de bodemverontreiniging plaatsvond, en de discussie over de aanpak gevoerd werd, werkte men in bodemsaneringsland met de zogenaamde A-, B- , en C-waarden. Deze waarden gaven bepaalde concentratieniveaux aan van chemische stoffen in de grond en in het grondwater. De A-waarde stond voor schone grond; werd de C-waarde overschreden, dan heette de grond verontreinigd, en bij een concentratie hoger dan de B-waarde moest er verder onderzoek worden verricht.
De A- en B- waarden hebben een belangrijke rol gespeeld in de be-sluitvorming over de aanpak van de sanering in Kralingen. Oorspronkelijk zou - conform het landelijk beleid - de verontreiniging multifunctioneel, dwz. tot de A-waarde gesaneerd worden. Toen bleek dat in dat geval de kosten meer dan 550 miljoen gulden zouden bedragen, heeft de gemeente een minder vergaande variant voorgesteld, waarbij als terugsaneerwaarde de B-waarde werd gehanteerd. Als argumentatie gold dat dit concentratieniveau ook in de omgeving werd gevonden, aangezien de grond in de wijk in de loop der tijd diffuus verontreinigd was geraakt. Licht verontreinigde grond, dwz. grond waarvan de concentraties de B-waarden niet overschreden, kon hergebruikt worden en dienen als aanvulling voor gaten dieper dan twee meter.
Ondertussen zijn de A-, B- en C- waarden vervangen door de Streef- en Interventiewaarden. Voor enkele stoffen zijn daardoor ook de concentraties voor wat schone en wat verontreinigde grond heet, veranderd. Ook kent het bodemsaneringsbeleid tegenwoordig achtergrondwaarden, waarbij rekening gehouden wordt met het niveau van een diffuus verontreinigde geraakte grond in een bepaalde wijk. 
De voorwaarden waaronder grond hergebruikt kan worden, zijn eveneens veranderd en zijn vastgelegd in het Bouwstoffenbesluit.

B+-variant

Toch wordt in Kralingen nog steeds gewerkt met de B+-variant, omdat dat nu eenmaal de afspraak is die gemaakt is tussen alle betrokken groeperingen - het Ministerie van VROM, de gemeente Rotter-dam en de bewoners.
Voor bewoners is het vasthouden aan de B+-variant heel belang-rijk. Er is geknokt om deze saneringsvariant te realiseren, en elke wijziging in de normstelling wordt als gauw gezien als een verder afglijden van de oorspronkelijk gemaakte afspraken.

Dat de gemeente het moeilijk vindt deze saneringswijze onverkort te handhaven, wordt steeds duidelijker. 
Soms gaat het om problemen van praktische aard. De Grondbank bv. die de grond analyseert en certificeert, hanteert algemene regels voor schone en voor hergebruiksgrond. Aangezien er voor Kralingen een aparte normstelling gehanteerd wordt, moest de Grondbank zijn indeling aanpassen, zodat er nu aparte categoriën hergebruiksgrond Kralingen zijn.
Voor bepaalde stoffen is ondertussen ook een andere wijze van analyse gangbaar. Op een gegeven moment bleek plotseling het cyanide in het grondwater verdwenen te zijn. Dit had te maken met aan gewijzigd voorschrift voor de cyanidebepaling, waarbij thiocyanaat niet meer standaard in de bepaling wordt meegenomen. 

Landelijk beleid

Maar ondertussen is ook het landelijk beleid veranderd. Niet alleen de A-, B- en C- waarden zijn vervangen, maar ook de aanpak van de bodemverontreiniging is gewijzigd. Was vroeger het uitgangspunt de verwijdering van verontreinigde grond, tegenwoordig wordt uitgegaan van een risicobenadering, en zijn er regels opgesteld om te bepalen welk risico een aangetoonde verontreiniging oplevert voor respectievelijk volksgezondheid, ecologie en/of verspreiding. 
Zou deze risicobenadering toegepast worden bij de bodemsanering in Kralingen-, dan is het nog maar de vraag of de verontreiniging snel aangepakt zou zijn.
De ernstigst verontreinigde grond bevond zich voornamelijk op enkele meters diepte, in het algemeen dieper dan de bewortelingszone van planten, waardoor er geen sprake is van een ecologisch risico.
Blootstelling aan verontreiniging heeft zich ook nauwelijks kunnen voordoen, doordat de toplaag meestal niet ernstig verontreinigd was. Dat er geen risico voor de volksgezondheid aanwezig was, heeft de GGD ook steeds beklemtoond. Wel kan onzekerheid over aanpak en effecten van verontreiniging schadelijk zijn voor bewoners.
Er is wel sprake van een verspreiding van de verontreiniging in het grondwater, en om die reden zou nog steeds sanering noodzakelijk zijn.
Nadat de Wet Bodembescherming gewijzigd was, heeft de gemeente Rotterdam haar eigen beleid vastgelegd in een notitie, waarbij een onderscheid gemaakt wordt in mobiele en immobiele stoffen. Mobiele verontreinigingen worden zoveel mogelijk weggehaald, immobiele verontreinigingen worden afgedekt.
De Dienst Gemeentewerken Rotterdam die naast de bodemsanering in Kralingen ook andere bodemverontreinigingsgevallen in Rotterdam onderzoekt en aanpakt, stuit bij de voortgang van dit project er steeds vaker op dat de aanpak hiervan niet strookt met het landelijke en het gemeentelijke beleid. Voor Kralingen worden nu andere normen gehanteerd dan elders in de stad. Dit moet niet alleen intern verdedigd worden, maar ook tegenover het Ministerie van VROM, dat uiteindelijk de kosten voor zijn rekening neemt.

 

Bodemsanering

 

Risicobenadering

Hoewel de gemeente nog steeds uitgaat van een (geoptimaliseer-de) B+-variant, klinkt toch in terminologie en aanpak van de sanering het gewijzigde beleid door. 
Het doel van de sanering wordt niet langer omschreven als "het verwijderen van de verontreiniging", maar als "het opheffen en beheersen van de risico's".
Bij de beslissing om verontreinigingen weg te halen wordt bij dieper-gelegen bronnen een onderscheid gemaakt naar mobiele en immobiele stoffen.
Dat roept uiteraard discussie bij de bewoners op. Aan de ene kant moet ik ze vertellen dat er op deze wijze bepaalde verontreinigingen blijven zitten, maar aan de andere kant zal ik ook willen uitleggen dat dat eigenlijk geen kwaad kan, omdat het toch om betrekkelijk lage concentraties gaat, of omdat het erg diep zit, en zich niet kan verspreiden. 
Ik probeer duidelijk te maken, dat de verandering in de normstelling niet alleen een kwestie van andere financiële prioriteiten is, maar vooral te maken heeft met verdergaand onderzoek naar de effecten van stoffen in de bodem. Dat het beleid in de loop der jaren veranderd is, heeft ook te maken met het afwegen van het belang van bodemsanering ten opzichte van de aanpak van andere milieuproblemen. 

In hoeverre dit ook gevolgen heeft voor de situatie in Kralingen, zal steeds een punt van discussie blijven. Enerzijds zal de gemeente de gemaakte afspraken zo goed mogelijk willen nakomen, anderzijds zal ze een eenduidigheid in beleid willen formuleren, ook in het belang van de rechtszekerheid naar de burgers toe.

 

15

december 1999:
AFSCHEID VAN KRALINGEN

De sanering van het voormalige gasfabrieksterrein Kralingen in Rotterdam loopt op zijn einde. 
Vijf jaar lang is de hele buurt overhoop gehaald, een honderdtal huizen zijn gesloopt, een duizendtal mensen hebben (tijdelijk) hun woningen verlaten, een kinderdagverblijf is vertrokken, en een bejaardentehuis is tijdelijk elders geplaatst.

Overlast

Vijf jaar lang werkzaamheden in de buurt, en de daarmee gepaard gaande overlast. Dat leidde tot uitgebreide discussies met de gemeente over hoe de overlast zo goed mogelijk te beperken viel. Als er afgesproken was, dat het werk niet voor zeven uur ’s ochtends zou starten, gingen desondanks de motoren van kranen en wagens al om halfzeven aan, om warm te draaien. Dus opnieuw overleg tussen gemeente, bewoners en aannemer. Werktijden zijn de hele periode een punt van discussie gebleven, niet alleen de begintijd ’s ochtends, maar ook het doorwerken ’s avonds en zaterdags. 
Zo nu en dan was duidelijk te ruiken dat er een gasfabriek gestaan had. Maar de stank van naftaleen is gelukkig nooit meer zo erg geweest als in de eerste fase van de sanering, toen per ongeluk een oude - en nog met gaswater gevulde - leiding kapot werd gestoten. Tijdens de werkzaamheden heeft de gemeente regelmatig luchtmetingen laten uitvoeren; een enkele keer is er iets gemeten, maar dat bleef altijd ruim onder de gezondheidskundige norm.
Ook het lawaai was in de eerste periode soms niet te harden, doordat bij het heien van de damwanden op veel puin gestoten werd. Daarna zijn de plannen aangepast, er kwamen minder damwanden, en er werd eerst een geul gegraven om het puin te verwijderen. In een enkel geval was het zelfs nauwelijks hoorbaar dat er damwanden geplaatst werden, namelijk toen ze gedrukt werden.
Ondanks de uitgebreide saneringsplannen en de opgestelde voorwaarden voor de aannemer, werkten de aannemers soms dusdanig grof, dat panden gingen schuiven, en er instortingsgevaar dreigde. In één geval heeft een pand het inderdaad begeven. 
Verschillende aannemers kwamen wat traag op gang om dan aan het einde met overwerk en een weinig zorgvuldige scheiding van schone en vuile grond te pogen de afgesproken planning te halen.
Na de ontgraving moesten de huizen dan weer van binnen en buiten opgeknapt worden. Ondertussen moesten de junks, krakers en dieven buiten de deur gehouden worden.
En dan bleek het grondwater door het ontgraven en aanvullen, en soms door de aanleg van nieuwe riolering een andere loop te volgen, waardoor regelmatig kelders kwamen blank te staan. Na lange discussies heeft de gemeente nu toch maar besloten drainage aan te leggen.

Beleid

In deze vijf jaar is ook het landelijk beleid veranderd. Van multifunctioneel naar functioneel saneren werd onder druk van het ministerie van VROM een optimalisatie van de oorspronkelijk afgesproken saneringswijze. Immobiele verontreinigingen en technisch lastig bereikbare vlekken zijn achtergebleven. Dat leverde elke keer weer vinnige discussies op tussen de gemeente en de bewoners die de buurt zo schoon mogelijk wilden hebben. 
De sanering is nog wel op de traditionele manier uitgevoerd middels ontgraven. Discussies over in situ sanering en over biologische afbraak zijn niet veel verder gekomen dan de burelen van Gemeentewerken, zij het dat op enkele plaatsen op het terrein met water gespoeld wordt.

Resultaat

Wat heeft het opgeleverd? 
Zoals het er nu naar uitziet, kan de sanering redelijk binnen het budget en binnen de planning afgerond worden. Daarmee is het nog wel de duurste sanering van Nederland, 305 miljoen gulden.
De buurt heeft nieuw elan gekregen. Doordat er al jaren weinig meer gebeurde aan onderhoud en herstel vanwege de onzekerheid over de bodemsanering, was de buurt in de versukkeling geraakt.
Nu vindt er veel woningverbetering plaats en worden er plannen ontwikkeld voor nieuwbouw ter plaatse van de gesloopte panden.
Verschillende van de oorspronkelijke bewoners zijn vertrokken, soms omdat ze toch al van plan waren een nieuwe woning te zoeken, soms omdat ze geen zin hadden om tweemaal te verhuizen (naar een wisselwoning en weer terug).
Ondanks de verhuizingen en ondanks de soms heftige onderlinge discussies waren de bewoners erg betrokken bij de sanering, en zijn ze steeds blijven ijveren voor een schone wijk. Dat heeft de saamhorigheid in de buurt zeker versterkt.

Einde

De sanering loopt op zijn einde. De videogroep die het hele gebeuren heeft vastgelegd, vraagt te waarschuwen wanneer een activiteit voor de laatste keer plaatsvindt, zodat ze dat nog eenmaal kan filmen.
De feestploeg bereidt een grootst feest voor op 29 februari 2000. 
Het interne publikatieblad van de projectorganisatie komt binnenkort met een laatste nummer waarvoor iedereen gevraagd is zijn mening te geven over de hoogte- en dieptepunten van de sanering, en over het nut van de sanering.
Dat leidt tot een moment van terugblikken

Een hoogtepunt was voor mij de daadwerkelijke start van de sanering. Na jarenlang onderzoek, na moeizame onderhandelingen met verschillende momenten van hoop en wanhoop ging toen eindelijk de eerste schop de grond in. Nu ging het werkelijk gebeuren.
Een dieptepunt was voor mij de ontruiming van de Nieuwe Plantage, het bejaardentehuis. Oude mensen moet je eigenlijk niet meer verkassen, vind ik, en zeker niet na alle beloftes die hen eerder gedaan zijn. Ik herinner me nog een bijeenkomst in de grote zaal van de Nieuwe Plantage, waar de resultaten van het eerste bodemonderzoek (van het ingenieursbureau DHV) bekend gemaakt werden. Verschillende kwade bewoners die de gemeente verweten het bejaardentehuis gebouwd te hebben, terwijl bekend was dat er hier een gasfabriek gestaan had. Maar de gemeente verzekerde de bewoners met volle overtuiging dat ze hun woning voor de sanering niet uit zouden hoeven. Maar uiteindelijk moesten ze toch, en weer later en langer dan eerst toegezegd was.

Noodzaak sanering

Is de sanering nodig geweest?
Uit gezondheidskundig oogpunt was de sanering niet nodig. Er waren weinig mogelijkheden om met het gif in aanraking te komen, en zelfs als dat een keer iemand wel zou overkomen, kreeg hij toch altijd nog minder binnen dan door het roken van een enkele sigaret.
De sanering was wel nodig om een einde te maken aan de onzekerheid in de buurt. Op een gegeven moment wisten bewoners niet meer waar ze aan toe waren, en deed de gemeente ook weinig meer aan het noodzakelijke onderhoud.
Wellicht heeft de sanering eerder gezondheidsschade opgeleverd. Verschillende bewoners moesten hun huis verlaten en dat brengt onrust en onzekerheid met zich mee, zeker voor de bejaarden van de Nieuwe Plantage. Door de werkzaamheden hebben bewoners soms last van stank gehad, en regelmatig de uitlaatgassen van de aan- en afrijdende vrachtwagens ingeademd.
Uit milieuoogpunt werd begin jaren negentig de sanering noodzakelijk geacht vanwege de doorsijpeling van verontreiniging naar het diepe grondwater. Ik vind het nog steeds belangrijk om te pogen het diepe grondwater schoon te houden, maar wellicht dat ik nu gepleit zou hebben voor een saneringsmethode die minder ingrijpend zou zijn geweest. Ondertussen zijn er nieuwe saneringsmethoden ontwikkeld en hebben we ook meer kennis vergaard over de processen die zich in de bodem afspelen.

 

A. van de Vusse op locatie

A. van de Vusse op locatie

Afscheid

De sanering in Kralingen loopt op zijn eind. Ik neem afscheid in het besef dat de buurt nu een stukje schoner en leefbaarder is dan vijftien jaar geleden toen ik voor het eerst bij de bodemverontreiniging betrokken raakte. Het is de buurt waar mijn eigen wortels liggen, want ik ben er geboren, mijn ouders hebben er jarenlang gewoond, en mijn grootvader heeft zelfs nog op de gasfabriek gewerkt. Als klein kind nam hij me mee langs de gashouders en liet me zien hoe ze werkten. Hij leerde mij ook te luisteren naar de geluiden van de vogels in het Kralingse Bos. Ik weet dat hij trots zou zijn geweest op wat er nu in Kralingen bereikt is.

Deel I: 1: juni 1993 t/m 8: juni 1995